Mom Wellestein: "Het was pure wreedheid"

Gepubliceerd op 17 februari 2026 om 11:42

De Delftse student Mom Wellenstein (1919-2016) overleefde kamp Amersfoort en publiceerde na bijna zeventig jaar zijn herinneringen aan het allereerste concentratiekamp in Nederland: Nummers die een ziel hebben. "Ik wilde de geschiedenis vastleggen, vooral omdat velen het niet meer konden navertellen."

Mom Wellenstein, 1919-2016

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Edmund ‘Mom’ Wellenstein was 23 jaar toen hij werd opgepakt wegens het verspreiden van een illegaal krantje, De Oprechte Delftenaar. Na een half jaar werd hij tot zijn verrassing vrijgelaten, waarna hij onmiddellijk zijn verzetswerk weer oppakte. Na zijn kamptijd schreef Wellenstein zijn ervaringen op.  "Ik heb in Amersfoort de laatsten van een groep van zo’n honderd zogenaamde Russen zien afvoeren. Deze Aziatische krijgsgevangenen hebben geen steen op hun graf. Iedereen zou hen zijn vergeten. Op deze manier was er nog een getuigenis van hun bestaan",, zegt hij in een interview met het Reformatorisch Dagblad d.d. 5 april 2013. "Ik vind het nog steeds onbegrijpelijk dat men in een oorlog, waarin elke trein nodig is, een groep mensen meer dan 1000 kilometer vervoert om ze in een kamp te laten sterven en de overlevenden te doden. Dat is alleen pure wreedheid."

Waanzin in werking

Wellensteins aantekeningen leidden in 2004 tot Nummers die een ziel hebben, een sober en tegelijkertijd aangrijpend relaas over zijn verblijf in  Polizeitliches Durchgangslager Amersfoort. Het was het eerste kamp in Nederland dat naar het model van een Duits concentratiekamp was ingericht en georganiseerd, onder leiding van de SS en destijds in de buitenwereld nog nauwelijks bekend. Tot dan toe was er nog bijna niemand weer uitgekomen. Levend. Sowieso was Nederland nog nauwelijks bekend met het begrip concentratiekamp. Kamp Westerbork was nog niet gebouwd, Vught evenmin, laat staan dat men enig idee had wat zich elders in de wereld afspeelde. "Ik belandde op een plek waar ik de waanzin in werking zag", vertelt Wellenstein in het radioprogramma Het spoor terug, d.d. 31 maart 2013. "We voerden dus niet alleen oorlogen, we waren totaal van de wereld los. We wisten nog niets van de vernietigingskampen maar in Amersfoort zagen we het systeem in al zijn kleinheid. Alle excessen die hier plaatsvonden werden later grootschalig toegepast in de vernietigingskampen. Het was maar een minuscuul gebeuren daar in Amersfoort, een speldenknopje in een gigantisch breiwerk, en ik maakte er deel van uit. Later ontmoette ik in mijn leven mensen die op andere plekken op de wereld precies hetzelfde hadden meegemaakt, dezelfde chaos. En net als ik  hadden ze die chaos overleefd. Het had ook anders kunnen lopen…"

Studententijd in Delft 

Edmund Peter Wellenstein bracht zijn kinderjaren door in Nederlands-Indië, waar zijn vader bestuursambtenaar in de toenmalige kolonie was. Na het overlijden van zijn vader keerde het gezin terug naar Nederland. In 1937 begon hij aan een studie natuurkunde aan de Technische Hogeschool Delft. Aan een onbezorgde studententijd kwam drie jaar later een einde met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Wellenstein werd voorzitter van de Centrale Commissie voor Studiebelangen. En hoewel deze commissie daar niet voor was bedoeld, kreeg dit orgaan tijdens de bezetting een steeds belangrijker functie als studentenvertegenwoordiging. Waar het bestuur van de TH Delft zich zo veel mogelijk trachtte te schikken naar de wensen van de bezetter, in de hoop de hogeschool zo lang mogelijk open te houden, pleitte de Centrale Commissie voor Studiebelangen voor openlijk verzet.

Frisse buitenlucht

Toen Joden de toegang tot de hogeschool werd ontzegd, brak er eind 1940 een studentenstaking uit. Toen Joden geen lid meer mochten worden van studentenverenigingen, hieven de verenigingen zichzelf op. Samen met enkele medestudenten richtte Wellenstein een klein verzetsgroepje op met als doel te publiceren over wat er allemaal voor schandelijks gebeurde op bestuurlijk niveau. Hij leende honderd gulden van een oom voor de aanschaf van een stencilmachine en papier en schreef een lijvig protest, een oproep aan alle medewerkers van de TH om niet mee te werken aan het verderfelijke nazi-systeem. De NSB-curator van de TH kreeg lucht van deze illegale activiteiten en liet Wellenstein arresteren. Na twee maanden te hebben doorgebracht in het Oranjehotel in Scheveningen werd hij op transport gesteld naar kamp Amersfoort. "In de gevangenis in Scheveningen, waar ‘Amersfoort’ als mogelijke bestemming vagelijk bekend was, dachten velen nog; lekker buiten! Wel begrijpelijk als men zijn dagen in een cel doorbrengt. Maar toen wij hier de eerste verspreide Häftlinge met slepende tred en holle ogen aan ons voorbij zagen komen, waarvan er één met stokslagen werd voortgejaagd, wisten wij direct al beter. Die heerlijke, frisse buitenlucht werd bij de heersende kou al gauw één van de vele vijanden van onze snel verzwakkende lijven", aldus Wellenstein.

Kampleven

Hij is altijd terughoudend geweest om over zijn kampervaringen te schrijven. Hij was bang onvoldoende de diepere essentie van zijn ervaringen te kunnen verwoorden. Want hoe omschrijf je honger, échte honger? Hoe omschrijf je de angst, de paniek, het gevoel om als een beest behandeld te worden? En hoe omschrijf je de enorme overlevingsdrang die in elk mens schuilt? In Nummers die een ziel hebben slaagt hij daar echter wonderwel in. Wellenstein beschrijft secuur het dagelijkse leven in het kamp. Hij schetst een indringend beeld van de verschillende manieren waarop mensen onder dit soort extreme omstandigheden reageren en hoe eenieder vooral bezig is met het eigen overleven.  Wellenstein weet echter zijn ervaringen en ooggetuigenverslagen op een ander niveau te tillen. Hij beschrijft zonder waardeoordeel, bijna filosofisch,  hoe de processen verlopen die mensen ertoe brengen wezenlijke scheidslijnen te overschrijden. Het is een nuchter, praktisch verslag van zijn verblijf in Amersfoort. Het zijn herinneringen aan veel ellende, aan brute, vaak sadistische willekeur. Toch denkt Wellenstein niet zwart-wit. Er waren ook ‘goede’ Duitsers, die gevangenen spaarden waar ze konden. En er waren ‘foute’ Nederlanders die zich hadden laten rekruteren voor het SS-wachtbataljon, en die de wachttorens bewaakten. Goed en slecht, de grenzen vervaagden in kamp Amersfoort.

Delftse gevangenen 

Bij aankomst in kamp Amersfoort ontdekte Mom Wellenstein meteen vrienden en kennissen uit Delft. Deze inmiddels ervaren kampbewoners maakten hem duidelijk dat hij het beste kon verzwijgen dat hij student was. ‘Studenten en dominees maken ze ’t hier extra zuur’. Op aanraden van mede-Delftenaar Herman Bolt besloot Wellenstein zich te laten registreren als natuurkundige. In het kamp trof Wellenstein diverse leden van de verzetsgroepen Mekel en Schoemaker, die daar hun proces afwachtten. De Delftse hoogleraren ir. R.L.A. Schoemaker en prof.dr.ir. J.A. Mekel richtten vlak na het begin van de bezetting met een aantal Delftse studenten verschillende verzetsgroepen op. Zij werden in 1941 verraden, opgepakt en in 1942 overgeplaatst naar kamp Amersfoort. Bijna alle leden van deze verzetsgroepen werden ter dood veroordeeld en in concentratiekamp Sachsenhausen Oranienburg geëxecuteerd. Zij behoorden tot de eerste lichting van de in totaal 183 slachtoffers uit de Delftse universitaire gemeenschap die zouden omkomen door direct of indirect verzet tegen de Duitsers.

Professor Schoemaker

Wellenstein meldt in zijn boek dat Schoemaker de tijd in Amersfoort doorbracht met het ontwerpen van de dakconstructie van het nieuwe magazijn dat de Maurer und Handlänger achter de ziekenbarak moesten bouwen. Geen Duitser begreep iets van die constructie, zodat de professor veel vrijheid had. Meestal zat hij in de Duitse Schreibstube te tekenen en af en toe vertoonde hij zich op het werk, om aanwijzingen te geven. Ook de Delftse student Frans van Hasselt bevond zich in kamp Amersfoort. Hij maakte deel uit van de groep Mekel. Van Hasselt was in opspraak geraakt omdat hij op zaterdag 23  november 1940 had geprotesteerd tegen het ontslag van Joodse hoogleraren aan de Technische Hogeschool. Uit protest tegen dit besluit verzamelde zich de maandag 25 november een menigte bij het Gebouw voor Weg- en Waterbouwkunde. Men verwachtte dat professor mr. A.C. Josephus Jitta hier zijn laatste college zou geven. Dat college ging niet door, maar Frans van Hasselt, student en voorzitter van Het Gezelschap Practische Studie, hield er een korte maar krachtige rede met als thema: ‘Zalig zijn zij die vervolgd worden om der gerechtigheid wille’. De volgende maandag en dinsdag staakten drieduizend Delftse studenten. Het was de eerste vorm van studentenverzet in Delft gedurende de jaren ’40-’45.

Max Kohnstamm 

Wellenstein schrijft met veel warmte over enkele van zijn kampgenoten, kameraden die elkaar steunden, maar die in veel gevallen weer afscheid van elkaar moesten nemen. Telkens weer een intens verdrietig moment. Veel van deze kameraden overleven de oorlog niet. Wie de oorlog wèl overleefde, is Max Kohnstamm. De vijf jaar oudere, pas afgestudeerde historicus en latere diplomaat werd als represaille voor een gepleegde aanslag  drie maanden in Amersfoort opgesloten. In Kohnstamm trof  Wellenstein een lotgenoot en zielsverwant. Ze zaten op dezelfde golflengte en vroegen zich af: Waar moet het na deze menselijke en politieke catastrofe heen? Hoe kan een terugval in deze barbarij worden voorkomen?

EGKS

Vijf jaar na beëindiging van de Tweede Wereldoorlog stonden Wellenstein en Kohnstamm samen aan de wieg van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), de voorloper van de EU, met als doel te voorkomen dat er opnieuw een wedloop ontstaat om elkaar militair en politiek te overheersen. "Geen vage, abstracte ideeën voor een beter Europa, maar een nuchtere, zakelijke aanpak om het rivaliserende naast elkaar leven van wantrouwende buurstaten te overstijgen in een bovennationale behartiging van gezamenlijke belangen." In verschillende uiteenlopende functies - Wellenstein werd secretaris-generaal bij de EGKS - wijdden Kohnstamm en Wellenstein hun verdere professionele leven aan deze zaak, waarvoor de kiem werd gelegd in de modder van Amersfoort.