Maria Brix: "Ik ben uit liefde geboren"

Gepubliceerd op 17 februari 2026 om 19:20

In 2005 verscheen een artikel in de Haagsche/Delftsche Courant waarin de 79-jarige Margreet de Bruijn-Chardon een poging deed om erachter te komen wat er was gebeurd met de Joodse kinderen die haar broer, de Delftse verzetsstrijder Kees Chardon (1919-1945), in de oorlogsjaren had helpen onderduiken. Een van de mensen die reageerden, was Sara Dresden, die door het verzet was weg gesmokkeld uit de Joodse crèche tegenover de Hollandse Schouwburg. Margreet de Bruijn-Chardon kon zich het meisje nog herinneren. Ze had een klompvoetje. "Ik heb haar luier nog verschoond."

Maria Brix (1943-2021) was een van de zeshonderd Joodse kinderen die werden gered uit de crèche bij de Joodse Schouwburg. 

Samuel Dresden en Racheltje Levit werden vermoord in Sobibor. 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Het Nederlandse verzet heeft tijdens de oorlog in betrekkelijk korte tijd enkele duizenden kinderen gered door ze onder te brengen bij gastgezinnen. Niet alle ondergedoken kinderen hebben de oorlog overleefd. Sommigen zijn geëmigreerd of al overleden. In veel gevallen waren de werkelijke namen van de onderduikkinderen niet bekend bij hun helpers.  En jonge kinderen hebben waarschijnlijk zelden geweten wie hun helpers waren. De Joodse Sara Dresden kwam als baby in huis bij de familie Venselaar in de Hugo de Grootstraat in Delft. Haar ouders werden omgebracht in concentratiekamp Sobibor. Na de oorlog bleef Maria bij haar onderduikouders wonen. Dit is haar verhaal, een zoektocht naar liefde, (h)erkenning en identiteit.

Gered van deportatie

Sara Dresden is pas een paar weken oud als haar moeder haar bij de buren brengt. Het is februari 1943. Sara’s ouders, Racheltje (Koosje) Levit en Samuel (Sem) Dresden, weten op dat moment dat het ze niet gaat lukken om aan deportatie naar de Duitse vernietigingskampen te ontkomen. Ze worden door de nazi’s van hun bed gelicht en moeten zich klaarmaken voor vertrek naar kamp Westerbork. Hoe ze het voor elkaar krijgen zal altijd een raadsel blijven, maar ze zien kans de kleine Sara bij de buren af te geven.  Zo hopen ze haar jonge leven te redden. Hun andere dochter, de drie jaar oude Judith (Judokje), een kind uit een eerdere relatie van Racheltje, houden ze bij zich. Wat ging er door hen heen, die dag in 1943? Angst, verdriet en de diepe wens dat Sara de dans zou ontspringen in de veilige handen van de niet-Joodse buren? Dat ze elkaar levend en wel zouden terugzien als de oorlog voorbij zou zijn? Wat zich in de eerste zes maanden van haar leven precies heeft afgespeeld, is een grote lege pagina in het leven van Sara Dresden. Ze was te jong om zich er iets van te herinneren. Alles wat ze ervan weet, heeft ze van horen zeggen. Een ding is duidelijk: de logeerpartij bij de buren was van korte duur, want uiteindelijk kwam ze toch in handen van de Duitsers. “Ik denk dat de buren bang waren om me te behouden en me daarom aan de Duitsers hebben gegeven. Vreselijk toch? Je denkt iemand te vertrouwen en toch…”

Predikant

De buren waren inderdaad niet erg gelukkig met het pakketje dat ze die februarinacht in hun handen kregen geduwd. Na zes weken namen ze contact op met een broer van Racheltje, met het verzoek zijn nichtje op te komen halen. Oom Mozes Levit uit Dokkum en zijn vrouw Martje waren bevriend met de predikant van de Mennonistenkerk. De huishoudster van deze predikant, mejuffrouw Steenbergen, zat in het verzet. Een keer in de maand reisde ze met de boot naar Stavoren-Enkhuizen naar Amsterdam, een hele onderneming. De Joodse Mozes schakelde deze dappere vrouw in om met de Amsterdamse buren te communiceren. Bij haar bezoek kreeg ze de helft van een in tweeën gescheurde ansichtkaart mee, met het dringende verzoek aan de buren om de baby nog even bij zich te houden tot er een oplossing was gevonden. De andere helft van de kaart stuurde Mozes aan ze op. Bij aankomst zou de koerierster moeten controleren of de twee delen pasten. Het was een in de oorlog veelvuldig gehanteerde methode om iemands identiteit  te controleren.

Kees Chardon

Maar de buren voelden er niets voor om nog langer onderdak te bieden aan hun gevaarlijke logeetje. De kans bestaat dat ze haar zelf naar de Joodse crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg brachten, dé plek waar Joden werden samengebracht om te worden gedeporteerd naar Duitsland. Mejuffrouw Steenbergen zocht contact met het verzet, dat erin slaagde de kleine Maria uit de crèche te smokkelen. Ze belandde via het ondergrondse verzet in Delft, waar de Delftse verzetsstrijder Kees Chardon  haar in huis nam tot er een meer definitieve oplossing voor haar was gevonden. Twee nachten verbleef ze met enkele andere Joodse kinderen in zijn woning aan de Spoorsingel 28. Op 3 juni 1943 kwam ze bij Jo en Wim Venselaar in huis,  een kinderloos echtpaar dat bij Chardon in de buurt woonde, aan de Hugo de Grootstraat 25. Sara’s pleegouders lieten hun jonge onderduiker op 6 juni 1943 rooms-katholiek dopen en gaven haar de namen Maria Jozina Wilhelmina Antonia Francisca Helena. Roepnaam: Maria. “Wim Venselaar werkte bij de Nederlandse Kabel Fabriek en trad in zijn vrije tijd op als conferencier. Zij was de dochter van een ondernemer. Haar vader had een wijnhandel in de Hugo de Grootstraat”, vertelt Maria vele jaren later. “Waarom ze me in huis namen? Ik denk vanwege hun geloof. Heel veel gelovige mensen namen onderduikers in huis in die tijd. Omdat ze dachten het hoorde, omdat ze dachten dat het van hen werd verwacht.”

Oom Mozes

Na de oorlog keerden Maria’ouders niet terug uit concentratiekamp Sobibor. Vergeefs wachtte de familie Venselaar op een teken van leven van andere familieleden. Toen dat uitbleef kreeg het echtpaar in 1947 de voogdij over Maria; oom Mozes uit Dokkum, die de oorlog had overleefd, werd toeziend voogd. “Dat mijn oom me na de oorlog niet in huis heeft genomen, heb ik hem altijd kwalijk genomen. Mijn oom en tante zeiden dat ze me niet hadden willen weghalen bij de familie Venselaar. Ze vonden het zo goed dat zij zich tijdens de oorlog over me hadden ontfermd. Tegelijkertijd hadden ze veel kritiek op mijn pleegouders omdat ze me katholiek opvoedden. Ik heb wel altijd contact met mijn oom en tante gehouden. En door de verhalen van hun kinderen – een neef en twee nichtjes – kwam ik iets meer te weten over mijn grootouders. Hun opa en oma waren immers ook mijn opa en oma.”

Ware naam

Maria was zes jaar oud toen ze ontdekte dat Wim en Jo Venselaar niet haar werkelijke ouders waren. “Zij hebben me nooit officieel geadopteerd. Ik ben altijd Sara Dresden blijven heten, maar op school werd ik Maria Venselaar genoemd,  zogenaamd omdat ik niet mocht weten dat ik niet een dochter was van de Venselaars. Toen mijn pleegmoeder me naar de school bracht en ik haar uitzwaaide, vroegen kinderen aan me: ‘Wie zeg jij gedag?’ Ik zei natuurlijk: ‘Mijn moeder’. Ze zeiden: ‘Je hebt geen moeder. Je bent een Jodenkind.’ Vanaf dat moment wilde ik weten wie ik werkelijk was. Mijn pleegmoeder liet weinig los, wat ik ook probeerde. Ik zocht op zolder naar papieren en spullen, in de hoop iets van mezelf terug te vinden. Toen er op een dag post arriveerde voor Sara Dresden, begreep ik dat die voor mij bedoeld was. Sara Dresden, dat was ik.”

Weinig liefde

“Ik heb geen prettige jeugd gehad”, vertelt Maria. “Thuis heerste de sfeer van een koelkast. Er mocht weinig. Tot mijn twaalfde woonden we in de Hugo de Grootstraat naast mijn (pleeg)grootouders, die erg lief voor me waren. Toen verhuisden we naar de Phoenixstraat, waar mijn pleegouders een pension begonnen. Soms verhuurden ze zelfs mijn kamertje. Het waren moeilijke mensen, achterdochtig, kritisch. Geen warme mensen. Ik heb weinig liefde gekend. Nooit eens een arm om me heen. Achteraf denk ik: ze hadden een minderwaardigheidscomplex. Mijn pleegvader was graag toneelspeler geworden, maar dat was in die tijd natuurlijk niet aan de orde. Mijn pleegmoeder heeft altijd heel hard moeten werken in de zaak van haar ouders. Volgens mij heeft ze zich nooit gewaardeerd gevoeld. En ik op mijn beurt heb me nooit gewenst gevoeld. Ik heb geen idee waarom ze mij na de oorlog hebben gehouden. Ik ben mijn pleegouders oneindig dankbaar voor wat ze voor me hebben gedaan, maar ze waren niet bijzonder aardig voor me. Tegelijkertijd waren ze doodsbang dat ze me zouden kwijtraken. Als er controle kwam van het Joods Maatschappelijk Werk waren ze bloednerveus en werd me op het hart gedrukt dat ik niets mocht zeggen, uit angst dat ze me zouden weghalen. Mijn pleegouders hebben vrijwel al mijn eigen persoonlijke herinneringen, zoals diploma’s, boeken en schriften, weggegooid. Ik heb één foto van mijn eigen ouders.  Daar moest ik altijd een Weesgegroetje voor bidden. Mijn pleegouders zeiden dat het een foto was van hun broer en zus, die waren omgekomen in de oorlog.”

Halfzusjes

Rond haar zestiende ontdekte Maria dat ze halfzusjes heeft: Grietje en Anna. “Ik kwam hun naam en adres tegen toen ik zat te snuffelen in papieren op zolder. Ik ben ernaartoe gegaan, en belde aan. Ze herkenden me meteen en begonnen hysterisch te huilen. Ik was natuurlijk blij dat ik familie had teruggevonden, maar deze meisjes waren vijftien, zestien jaar ouder dan ik, uit een eerder huwelijk van mijn vader met een niet-Joodse vrouw. Ik had meer behoefte aan hen dan zij aan mij.” Maria probeerde contact te blijven houden, al ging dat soms moeizaam.  “Ze zijn een dag na elkaar overleden, net op het moment dat ik genoeg moed had verzameld om gerichte vragen te stellen over mijn vader, onze vader. Mijn oom Mozes had me waarschijnlijk meer kunnen vertellen over mijn eigen moeder, maar dat is niet gebeurd. Ik wist dat mijn oom mijn vader niet mocht. Een voddenkoopman van het Waterlooplein vond hij geen goede partij voor zijn zus. Sem schijnt ook nogal van een borreltje te hebben gehouden. Maar hij hield zielsveel van zijn vrouw. Sem hoefde ook helemaal niet naar Westerbork, hij is vrijwillig met Racheltje meegegaan.”

Joodse rassenwetten

Dit laatste vergt enige uitleg. Sem was Joods van geboorte en dus een serieuze kandidaat voor deportatie. Echter, de anti-Joodse rassenwetten waren onnavolgbaar. Als een man met een niet-Joodse vrouw was getrouwd of was geweest, waren de Duitsers bereid een uitzondering te maken. Iemand kreeg dan een  ‘Sperre’, waarmee deportatie voor korte of langere tijd werd uitgesteld.  Mogelijk had Sem, die immers gehuwd was geweest met een niet-Joodse vrouw,  arrestatie kunnen voorkomen. Zijn zwager Mozes wist op die manier de dans te ontlopen. Sem daarentegen besloot bij zijn vrouw te blijven. Dat blijkt ook uit een briefkaart die Racheltje op 15 april 1943 vanuit Kamp Westerbork naar haar familie stuurde, waarin ze schrijft: ‘Sem is vrijwillig met ons meegegaan.’

Een foto en een briefje

'Veel persoonlijke bezittingen en herinneringen aan haar ouders zijn verloren gegaan, maar gelukkig heeft Maria via via nog wat spullen gekregen, onder andere het telegram dat Sem stuurde nadat ze geboren was, de naoorlogse briefwisseling waaruit blijkt wie zij is en kaarten die Racheltje vanuit Westerbork schreef aan haar familie in Dokkum. “Ik heb een foto waar mijn ouders samen op staan en een briefje dat mijn moeder heeft verstuurd uit het kamp. Daarin schrijft ze over mij: ‘je zou haar moeten zien, het is zo’n mooi meisje’. Daaruit blijkt haar liefde voor mij. Ik weet zeker: ik ben uit liefde geboren. Dat is mijn houvast.”

Steentjes uit Westerbork

In 2009 heeft Maria alles wat ze aan papieren, brieven en briefkaarten had, geschonken aan herinneringscentrum Westerbork. “Tot mijn verrassing hing er in Westerbork een foto van mijn moeder. Toen ik die zag, wist ik dat er goed aan had gedaan alle spullen naar het herinneringscentrum te brengen. Het was alsof ze me haar zegen gaf.” Bij het weggaan haalde ze drie steentjes weg bij het monument voor slachtoffers van de Holocaust. “Op de grafsteen van mijn pleegouders heb ik ooit een koperen plaatje laten bevestigen met de tekst ‘voor Racheltje, Samuel en Judokje’. Daar heb ik die drie steentjes op gelegd.”